Aikido: natuur of cultuur?
Vanaf april 1994 zijn in enkele nummers van de International Aikido Newsletter artikelen van Peter Goldsbury gepubliceerd onder de uitdagende titel: Moeten wij Japanners worden om aikido te kunnen beoefenen? Meer serieus geformuleerd luidt de vraag in hoeverre het belangrijk is voor westerse beoefenaren van aikido om kennis te hebben van en ervaring met Japanse cultuur en geschiedenis. Goldsbury wil formuleren welke interculturele vorm van aikido de meest geëigende is voor de 21ste eeuw. Hieronder volgt een korte weergave van de drie door Goldsbury op persoonlijke titel gepubliceerde artikelen.

Het belang van kennis van cultuur en geschiedenis van Japan voor aikidoka’s kan vanuit tenminste twee voor de hand liggende perspectieven worden bekeken. Het eerste perspectief is dat van de aikido-beoefening zelf. Vanaf de mat gezien blijkt de vraag echter al snel irrelevant. Aikido is voor alle beoefenaren over de hele wereld even moeilijk en stelt een ieder voor dezelfde mogelijkheden en problemen. Oefenen, oefenen en oefenen en je voegen naar het model van je leraar is het credo waaronder een ieder gelijk is aan een ander.
Het tweede perspectief is dat vanuit de organisatie. Aikido kan immers niet zomaar worden ingeperkt tot de praktijk op de mat alleen. De beoefening van aikido is nauw verbonden met de organisatie ervan. Het is ook zo dat juist daar vanuit de gestelde vragen worden gemotiveerd en op een nauwelijks ontgonnen en moeilijk begaanbaar terrein voeren. Want, zo stelt Goldsbury, ten eerste is de mondiale verspreiding van aikido niet gepaard gegaan met een evenredige ontwikkeling in de organisatie, en ten tweede zou een adequate aanpak van dit belangrijke probleem stuiten op onoverbrugbare culturele verschillen tussen de cultuur van het westen en die van Japan.
Goldsbury stelt die problematiek echter niet duidelijk in termen van organisatie maar werkt uitvoerig zijn veronderstelling uit van het bestaan van fundamentele verschillen tussen Japanners en westerlingen. Zo wijst hij er bijvoorbeeld op dat in het westen meningen beschouwd worden als uitdrukkingen van de persoonlijke identiteit, gelijke rechten voor allen nagestreeft worden en menselijke verbintenissen worden gezocht en gevonden in het sociaal kontrakt (tussen werkenden, partners, gelijkgezinden). Japanners daarentegen zouden veel eerder verticaal georganiseerd zijn, in een organisatie bovendien waarin hogergeplaatsten actief zijn en lagergeplaatsten een passieve rol spelen. Verder ontlenen Japanners hun identiteit aan de groep en zullen eerder hun mening opschorten dan daarvoor in de bres te springen. Een Japanse student wil graag horen van de professor wat hij als zijn mening moet beschouwen.
Enerzijds presenteert Goldsbury deze fenomenen als vaststaande kenmerken. We zullen met de verschillen tussen de culturen moeten leven omdat ze er nou eenmaal zijn en omdat de kenmerken niet binnen afzienbare tijd zullen veranderen. Anderzijds zoekt hij toch mogelijkheden om het probleem van de verschillen op te lossen. En vindt een aanknopingspunt in het idee van een aikido-leerplan. Voor de praktijk van aikido zijn daarin namelijk verschillende niveau’s te onderscheiden, en die zouden soelaas kunnen bieden om de culturele verschillen te overbruggen zonder de culturele kenmerken aan te tasten of te negeren.
In het te ontwikkelen aikido-leerplan onderscheidt hij de niveau’s van:
- de techniek, die verband houdt met vaardigheidsaspecten,
- de sociale en historisch context, die wijst op een niveau van kennis,
- de ethiek van budo en bujutsu, waarin de wijsgerige aspekten liggen.
En vanuit deze drie niveau’s in het mogelijke leerplan motiveert Goldsbury het belang om kennis op te doen van de Japanse sociale en historische context. Zoals gezegd heeft op het niveau van techniek navolging het primaat (nog meer oefenen, oefenen en oefenen). Maar juist kennis van sociaal-historische aspekten staat direct in verband met aikido als organisatie. Ethiek moet vooral ook de kwaliteit van opleiding en overdracht waarborgen, waarin aloude Japanse waarden van bescheidenheid, zelfbeheersing, matigheid en loyaliteit ruim de aandacht kunnen krijgen.
Niet helemaal duidelijk is waarom Goldsbury hier nog een opsomming van belangrijke Japanse waarden aan toevoegt, of het moet zijn om het bestaan van het culturele verschil nog eens te benadrukken:
- ondergeschiktheid aan autoriteiten, ouders, ouderen en superieuren,
- onderworpenheid aan gewoonten en normen,
- eerbied voor het verleden en respect voor de geschiedenis,
liefde voor de traditionele wijze van leren,
- ontzag voor de kracht van het voorbeeld,
het primaat van een algemeen ontwikkelde moraal boven specialismen,
- politiek pacifisme,
- omzichtigheid, voorzichtigheid, voorkeur voor de middenweg,
niet-competitief ingesteld zijn,
- moed en zelfbewust conservatisme,
- zelfrespect in tegenspoed,
- moreel en cultureel zelfbewustzijn,
Stephen Snelders